Adje was eigenlijk een tuinkabouter van nog geen meter lang.

 

 

 

       de kabouter & de heks

 

De mensen, waar hij in de tuin stond, hadden hem

‘s avonds bij het grof vuil gezet.

En toen het donker genoeg was, was Adje stilletjes naar het bos gelopen, maar gelukkig had hij zijn kruiwagentje meegenomen.

Nu kon hij in het bos een hutje bouwen van in elkaar gevlochten takken en dat dan weer opvullen met gras, mos en bladeren.

Maar er leefde ook een heks in dat zelfde bos en zij heette Anneke Tanneke toverheks.

Die toverheks was bijna twee meter lang dus eens zo lang als ons Adje.

Anneke was niet alleen een gewone toverheks maar ze was daarbij ook nog eens heel kwaadaardig.

Een van die gemene trekjes van haar was om het hutje van Adje in elkaar te blazen en hem er dan mee te pesten dat hij klets nat werd zo zonder een dak boven zijn hoofd.

En toen het winter werd kon Adje niets anders doen dan bij de vos in zijn holletje te kruipen, daar was het gelukkig warm en droog.

Het jaar daarop was het weer precies het zelfde, Adje had zijn hutje klaar en Anneke toverheks blies het hele spul weer ondersteboven.

De winter bracht hij toen maar weer in het holletje van de vos door, in afwachting dat het weer voorjaar werd.

Maar Adje werd dat spelletje beu en op een dag bouwde hij zowaar een stenen huisje om in te wonen, hij metselde er nog een haard in en sloeg ook een pomp voor het nodige water.

Hij wist nu wel haast zeker dat als de heks nog een keer durfde te verschijnen, dat zij zijn huisje deze keer niet weer omver zou blazen.

Op een dag in de zomer werd er op zijn deur geklopt. “Wie is daar?”, vroeg hij.  “Anneke de toverheks, doe eens open”, werd er geantwoord.

“Wat wil Anneke van mij hebben?”, vroeg hij weer. “Ik hoef niet veel”, zei ze, “alleen maar een beetje vuur, je moet wel vuur hebben want ik zag rook uit je schoorsteen komen.”  “Dan ben je zeer zeker scheel, mijn schoorsteen kan helemaal niet roken want ik heb geen vuur aangestoken.” “Ik denk dat je de rook uit het vossenhol hebt zien komen maar zeker niet bij mij.”  “Nee, nee, zo zul je mij niet foppen, mijn ogen mankeren echt niets, ze zien heel goed.”  Boos ging ze weg, ze wist toch niet zo goed wat of ze hier nu van moest geloven.

De andere dag kwam ze terug en klopte weer op zijn deur.

 

“Wie is daar?”, vroeg Adje.  “Ik ben het Adje, Anneke de toverheks.”  “Wat wil Anneke nu weer van mij hebben?”,vroeg onze kabouter.

“Een kleinigheidje slechts”, zei Anneke, “een keteltje water, meer niet.”

“Je weet heel goed dat ik geen water heb,”, zei Adje.“Maar ik weet heel zeker dat je wel water hebt, want ik hoorde het uit de pomp borrelen toen ik op weg was naar je huisje.”

“Volgens mij heb je wel heel slechte oren vrouwtje, ik heb nog nooit aan de pomp gezwengeld, waarschijnlijk heb je het geluid van stromend water uit de beek gehoord.”

“Je bedriegt me weer Adje , ik zweer je dat als jij je deur niet open doet, ik je zal pakken.”

Adje werd spierwit en toen helemaal grauw van angst, hij deed als de wiedeweerga de grendels op de deur, deed er toen ook nog de ketting op en kroop snel onder zijn bed.

Maar ja heksen komen toch op de een of andere manier binnen, ze kruipen in en uit hoe of ze dat zelf willen, zonder dat iemand snapt hoe of ze hem dat lappen.

Hoe de heks binnen kwam, dat heeft Adje nooit goed begrepen, maar hij zag haar plotseling in zijn kamertje languit liggen, met in haar grimmige gezicht twee groene flitsende ogen en lange scherpe nagels aan haar handen, die overal zochten.

Hoe kwam het nou dat ze daar lag?

 

 

Dat zal ik jou eens vlug vertellen.

Adje was toch klein, nou dan natuurlijk zijn huisje ook maar Anneke was bijna twee meter!

En zo kwam het dat Anneke niet in dat huisje paste, tenminste niet rechtop staande.

Door de schok had ze ook haar toverstafje  laten vallen en dat was weer de reden dat ze zo aan het grabbelen was maar ze kon nu ook haar armen niet goed bewegen, anders had ze wel een of andere toverformule kunnen doen met gebaren.

Nou kwam Adje onder zijn bed vandaan en ging voor haar staan met in zijn hand het tover-stafje want dat was namelijk door de schok onder zijn bed gerold.

De slimmerik had zijn plannetje al klaar, ook al was hij best wel bang van haar hij deed toch zijn uiterste best om maar geen achterdocht bij die oude heks te wekken, want stel je eens voor dat ze hem, terwijl ze daar zo languit lag, toch nog een poets kon bakken.

“Geef mij mijn toverstokje ,dan kan ik snel weer naar buiten”, zei ze rood aanlopend, omdat ze in deze houding nauwelijks adem kon halen, “dan laat ik je verder het hele jaar met rust.”

“Als je er niet meer voor over hebt dan laat ik je hier gewoon liggen tot je een ons weegt”, zei Adje met bibberende stem, want nu realiseerde hij zich pas dat hij Anneke in zijn macht had.

“Ik zal je naar je huis toveren als je maar zegt wat de spreuk is, je toverstaf houd ik hier en ik wil je de rest van je leven niet meer zien.” “De keus is aan jou Anneke, wat denk daarvan?”

“Je laat mij niet veel keus, ik zal je voor altijd met rust laten dat beloof ik, maar mijn toverstafje moet ik wel terug hebben als ik buiten sta, schuif het maar onder je deur door als je mij niet vertrouwd.” “Je moet drie keer met het stafje van links naar rechts zwaaien en hem dan een keer rond draaien terwijl je zegt; Aboe kadoe, ga maar weer naar huis toe.” En zo deed Adje het, hij zwaaide drie keer van links naar rechts, draaide hem een keer rond en hij zei de spreuk en flits…weg was Anneke Tanneke toverheks.

 

Het toverstokje legde hij later netjes buiten neer zodat ze hem daar weer op kon halen.

Nu kon Adje tenminste gerust zijn in zijn eigen kleine huisje.

Hij stak dan ook blijmoedig een pijpje op en legde kalmpjes maar liefst twee mooie vissen, die hij net in de beek gevangen had, in de pan te bakken voor zijn avondeten. En Adje?… hij leefde nog lang en gelukkig.

 

 

De kabouter & de heks is een van de ruim 60 verhalen

uit de verhalen bundel “wat heet warm”

verteld door P.Ederveen, Engelen.